MEGEN – Het is alweer twee weken geleden dat Nederland te maken kreeg met meerdere grote natuurbranden. Vooral het feit dat die tegelijkertijd woedden legde een zwaar beslag op de capaciteit van de Nederlandse brandweer. Het was even billen knijpen maar uiteindelijk woedde in onze gemeente geen enkele echt grote brand die dagen.
Toch vochten zes Megense brandweerlieden aan de frontlinie mee tegen de enorme branden. Ze maken deel uit van een gespecialiseerd team dat in actie komt bij grote natuurbranden: de handcrew. Te voet en met specialistische materialen gaan ze het veld in om de natuurbranden te lijf te gaan op plekken waar voertuigen niet kunnen komen: zwaar fysiek werk. Het team werd meerdere keren ingezet in ’t Harde (Gelderland), Kessel (Limburg) en op de Brabants-Limburgse grens tussen Budel en Weert.
We kijken met Joost, Ferry, John, Danny, Boyd en Maikel terug op hun inzet. Hoe hebben ze deze bijzondere dagen ervaren en wat hebben ze kunnen doen? We spreken ze in de monumentale brandweerkazerne uit 1739 in het hart van het vestingstadje. “De oudste brandweerkazerne van Nederland,” zegt een van hen trots.



Eerste inzet
Wanneer er twee weken geleden echt grote branden ontstaan begint het ook bij de Megenaren te kriebelen. Danny: “Je ziet de berichten in de media en dan denk je nu heb je wel eens kans dat we in de avond weg mogen. Dat was in een keer al in de middag, dat was wel verrassend.” Collega Boyd was aan het werk in Nijmegen en nam de brand op de Veluwe bij ’t Harde van grote afstand waar. Hij stuurde een foto van de rookwolk naar Joost: “Het kan zomaar zijn dat we vanavond weg mogen.” Toen ging een kwartier later al de pieper.
Een aantal van de Megense brandweerlieden voegt zich bij de rest van het team en samen rijden ze met spoed naar ’t Harde. “Daar zijn we na overleg op een bepaalde lokatie ingezet. De handcrew van Overijssel was daar al bezig en die hebben we afgelost,” vertelt Maikel. Dat Overijsselse team was de eerste handcrew in Nederland en heeft de afgelopen jaren al veel ervaring opgedaan met het specialistische werk. “Ze zijn net wat verder dan wij en hebben ons ook training gegeven,” legt Ferry uit.



Impact op team
Wat voor impact had het feit dat meerdere branden tegelijk woedden op het team? Joost legt uit dat de handcrew Zuid-Nederland bestaat uit ongeveer 70 brandweerlieden uit Brabant en Limburg en dat per keer ongeveer 20 mensen worden ingezet. “Maar je hebt maar één container met materiaal,” vult John aan. “Wij kwamen donderdag terug en een paar uur later werd een ander team alweer met dezelfde container ingezet,” zegt Joost. Het toont aan dat de vele inzetten in korte tijd toch wel veel vroegen van de Megense brandweermannen. Ferry: “We lagen net twee uur op bed en toen ging de pieper weer.”
Het team is bij drie branden ingezet “We zijn in ’t Harde begonnen, daar zijn we twee keer ingezet,” vertelt Joost. “In de ochtend zijn ze naar Kessel gegaan en de volgende dag naar Budel.” Voor de natuurbrand op de Oirschotse Heide is de handcrew niet meer opgeroepen omdat het daar te gevaarlijk was te voet het veld in te gaan vanwege aanwezige munitie.
Ferry vertelt iets meer over de inzet zelf: “In ’t Harde hebben we echt in de frontlinie gewerkt maar vaker worden we ingezet voor nablussen op moeilijk begaanbare stukken terrein. Onze rugzakken met water hebben niet zo’n groot doordringend vermogen dus vaak krijgen we dan nog wel een tankautospuit (standaard blusvoertuig, red.) mee. Zij hebben hoge drukstralen of grondmonitoren, daarmee gaat dat beter.






Fysiek zwaar werk
De Megense brandweerlieden zien toch ook wel grote verschillen tussen het rijdend materieel in andere regio’s en in hun eigen werkgebied. “Op de Veluwe en in Overijssel is bijna elke post uitgerust met een bosbrandbestrijdingsvoertuig,” zo constateert Ferry. De Utrechtse brandweer kwam met Unimogs naar Budel om te helpen. “Dan zie je dat we dat hier in Brabant en Limburg helemaal niet hebben. Hier worden ze gewoon met standaard 4×4 brandweerwagens het gebied in gestuurd. Vier tot vijf kuub water uit die Unimogs en die monitoren erop dan wil dat wel.”
Het werk van de handcrew is fysiek zwaar. Toen de natuurbranden twee weken geleden woedden was het rond de 20 graden terwijl er in tijden van hitte ook wel eens gewerkt moet worden bij temperaturen van ruim boven de 30 graden. Wie denkt dat de matigere temperaturen het werk veel makkelijker maakten komt echter bedrogen uit. “Het maakt het wel iets draaglijker maar als je eenmaal richting de vuurhaard bent dan is de warmte echt wel te voelen. En dat was heet. Dan ga je met die vuurzwepen aan de gang dan ben je blij dat er een langere steel aan zit,” zegt Danny. “Er waren ook vlammen van drie meter hoog,” vult Maikel aan.



Inzet buitenlandse brandweerlieden
Opvallend was dat Nederland voor het eerst in de geschiedenis zelf om buitenlandse hulp vroeg. Eerder ondersteunde Nederland wel bij brandbestrijding in bijvoorbeeld Spanje en Griekenland. Al de volgende ochtend verzamelden een enorm aantal specialistische voertuigen en meer dan 100 Franse en Duitse brandweerlieden zich bij Vliegbasis Eindhoven. Ze werden ingezet bij de grote brand op de grens van Brabant en Limburg bij Budel en Weert op het moment dat de capaciteit van de Nederlandse brandweer onder druk dreigde te komen te staan. Eerder waren daar ook al een groot aantal specialistische voertuigen om natuurbranden te bestrijden van de Belgen het veld ingestuurd.
Volgens de Megense brandweermannen was die buitenlandse hulp ook echt nodig. Maikel: “Wij hebben de Fransen en Duitsers in Budel als het ware afgelost. Hun inzet had ervoor gezorgd dat er weer rust in de regio kwam en de handcrew weer kon worden ingezet. Daarvoor was er eigenlijk niemand meer beschikbaar.” Collega Danny: “We hadden ze gewoon nodig omdat bijna heel Nederland onderbezet was om overal te leveren. Op een gegeven moment stonden in ’t Harde 13 pelotons met in totaal 52 brandweerwagens in het veld. Dan moet je na 4 uur nog eens 52 voertuigen klaar hebben staan om die af te lossen.”
Boyd sprak collega’s uit Harderwijk: “Die waren ’s middags opgeroepen om op de kazerne te gaan zitten omdat hun hele werkgebied was leeggeplukt. Die hadden een regio met een aanrijtijd van drie kwartier ofzo.”
Het schetst hoe nijpend de situatie was en waarom de buitenlandse hulp zo nodig en welkom was.



Teamwerk
De vele inzetten in korte tijd vroegen het uiterste van de Megense brandweerlieden. “Het is niet zo dat je met een uurtje weer terug bent als je met de handcrew gaat,” zegt John. “Je moet 10 tot 12 uur rekenen als er een handcrew inzet is,” vult Ferry aan. En dat dagen achtereen. Joost legt uit dat onderlinge coördinatie absoluut nodig is: “Je ziet dat daarin de kracht van onze post terugkomt. We overleggen van tevoren met elkaar wie er wel of niet mee kan.” Zo kunnen sommigen het met werk en thuis beter regelen om overdag mee te kunnen en anderen kunnen dan in de avond mee. “Als er iemand de volgende dag een lange dag moet werken kan die beter niet de nachtshift pakken.” Maar zijn de Megense handcrewleden op enig moment handen tekort gekomen om alle klussen te klaren? “Handjes niet, wel slaap,” zo vat Joost het kort en krachtig samen.
De grote droogte maakte het bestrijden van de natuurbranden lastig. Het heeft nu enkele dagen licht geregend waardoor de bovenste paar centimeter wat vochtig zijn maar daaronder is het volgens de Megense brandweerlieden nog kurkdroog. Ferry: “Ik had op een gegeven moment iemand 25 centimeter open laten krassen. De grond bleek zo diep nog op een temperatuur van 200 graden te zitten. Dan valt er ook voor ons op een gegeven moment niet zo veel meer te doen want als het echt zo diep zit is het geen werken meer.” Hij zag met grote tevredenheid dat defensie later met zwaar materieel als rupsvoertuigen gangen in het bos maakte. “Dat scheelt voor ons een heleboel werk.”
De Megense brandweermannen verwachten dat het aantal inzetten van de handcrew bij natuurbranden in de toekomst alleen maar zal toenemen. Ook dan staan ze weer paraat.









